Bart van den Acker uit Den Haag over zijn Renault Alpine 1400

 

‘Biche’

 Als snotneus op de drempel van zesde klas naar Middelbare school kon ik mijn aangeboren autogekte verrijken met de eerste autobladen die ik van mijn zakgeld kocht. Ik was ook gek op autosport in alle vormen, mede daarom waren bladen als het Nederlandse Autorevue (jaren later mijn eerste werkgever) en het Duitse sport-auto favoriet. Dat was begin jaren zeventig, de periode waarin Alpines A110 in handen van fabriekscoureurs en privérijders talloze overwinningen in de rallysport boekten. De allerbelangrijkste, zeker gezien vanuit het Franse perspectief van zowel Renault als Alpine, was de Rallye Monte Carlo. Alpine was hierin tweemaal zeer dominant. In 1971 eindigden Alpines op de 1e, 2e en 4e plaats. Er mankeerde maar één ding: de winnende equipe (Andersson-Stone) waren geen Fransozen. Dus werd die in 1973 het echte hoogtepunt in de sportieve geschiedenis van de Alpine A110. Alpines werden nu 1e, 2e, 3e en 5e en de winnaar heette Jean-Claude Andruet, met naast zich een jonge (21!) blonde navigatrice met het pseudoniem ‘Biche’. Dat feit, die overwinning, maakte een onuitwisbare indruk op een 14-jarig Brabants jongetje. Ik dus.

  Valkenswaard was voor ons veel dichterbij dan Zandvoort. De eerste A110 die ik in het echt heb gezien moet een zwarte (gatver!) zijn geweest van de Oostenrijker Harald Neger, een gastrijder bij een AVRO-rallycross. Dàt maakte opnieuw indruk. Ik kreeg toen pas in de gaten hoe klein een Alpine is, hoe hard die ging en dat ik de auto ondanks die kleur in het echt nog mooier vond dan op plaatjes. Er volgden meer Alpines in Valkenswaard. Ik herinner me ook een Belgische in BP-kleuren die in het bijprogramma van de Nederlandse Grand Prix in 1976 een gele Ferrari Daytona Competizione het leven zuur maakte. Inmiddels had ik mezelf al lang stiekem voorgenomen dat ik ‘ooit’ zo’n auto moest en zou bezitten. Dat de A110 niet in Nederland werd geïmporteerd zag ik niet als een hindernis. Desalniettemin stond er in 1977 eentje op de RAI, een groene. Ik wist dat de productie op z’n laatste benen liep en heb op zondag, op een bomvolle stand, net zo lang tegen een verkoper aan gezeurd tot ik in die groene A110 mocht zitten. Dat hij daarna een probleem had met al die andere jongetjes was niet mijn zorg.

  Ik ben geen Renault-fanaat, niet eens een volbloed Alpine-adept. Het gaat me om de A110, de racewagens en de oudere modellen. Bovendien ben ik, als ik het zeggen mag, geen eenzijdige autogek. Mijn grootste probleem, niet alleen op autogebied, is dat ik veel te veel mooi vind. Zodoende had ik al een flinke reeks auto’s van uiteenlopende merken in bezit gehad en zelfs al een eerste sportwagentje (M.G. Midget) voor ‘erbij’ toen ik mijn kans schoon zag. In Maassluis stond via een advertentie in De Telegraaf in 1984 een prachtig blauwe, Spaanse 1300 van een helicopterpiloot te koop. Ik had net mondeling mijn M.G. aan een kennis verkocht, maar ik kon de Alpine bij lange na niet betalen. Zes weken heb ik zowat droog brood gegeten, om er daarna achter te komen dat die piloot had besloten de auto niet meer weg te doen. “Als ik ‘m verkoop, krijg ik ‘m nooit meer terug”. Logica. Maar wat had ik eraan? Ik kocht een Alfa Spider.

  In de zomer van 1987 had ik die Alfa net mondeling verkocht toen er in De Telegraaf op één zaterdag twéé Alpines te koop stonden. Nù moest het gebeuren! Er stond een blauwe in Santpoort, een rode in de buurt van Arnhem. Die laatste was een verbasterd en vies ding. Die blauwe was niet perfect, maar ik had vertrouwen in zowel de auto als de man. Kees Stam, de eigenaar, reed dagelijks met de Alpine, maar moest ‘m weg doen wegens gezinsuitbreiding. Met pijn in het hart, want, zo zei hij: “Ik ben nog lang niet uitgespeeld”. Deze A110 was origineel, met 96.000 kilometers op de klok. Ik had nooit geweten dat er ook 1400’s zijn gemaakt en die hebben een klap meer vermogen dan een 1300 (90 tegen 68 pk). De lichtblauwe lak was wat dof en niet strak, de carrosserie was craquellé, maar hij klopte, spoorde en stuurde goed en Kees had ‘m zelf goed onderhouden. Ik kon ‘m alleen niet betalen. Ik ben geen beste onderhandelaar, maar Kees gunde ‘m mij. Ik gaf mijn laatste gulden aan de auto uit en leende er nog duizend van mijn vader bij. Op 27 augustus 1987 realiseerde ik mijn jongensdroom. Ik was bloednerveus toen ik ‘m samen met Anton van de Logt ging ophalen en dat kwam niet omdat ik 15.500 gulden in mijn zak had. Toevallig kon ik thuis vrijwel voor de deur parkeren en in het donker heb ik zeker een kwartier naar beneden staan staren: mijn Alpine! Ik ben zo’n malloot die de meeste auto’s bijnamen geeft en na onder meer Bridget, Bella en Bjorn werd dit vanzelfsprekend: Biche!

  De realisatie van dit soort dromen houdt het risico in dat de werkelijkheid vreselijk tegenvalt. Dat is gelukkig met Biche niet het geval geweest. ‘Ze’ heeft me het leven wel eens flink zuur gemaakt, maar na al die jaren, na dik 100.000 kilometer, is het nog elke keer een feestje om me in het interieur te wurmen en haar met de nodige overredingskracht tot actie te verleiden. Al die kilometers zijn bepaald niet zonder problemen onder de wielen doorgerold. Ik was zo naïef, toen ik ‘m kocht, te denken dat ik de Alpine ook als dagelijkse auto kon rijden. Alpines hebben een bar slechte reputatie als het om betrouwbaarheid gaat, maar met gedegen en veelal preventief onderhoud heeft ze me niet vaak echt in de steek gelaten. Ondertussen is wel alles wat beweegt aan de auto minimaal éénmaal vernieuwd. In de winter van 1995/96 is de carrosserie volledig en deskundig gerestaureerd door Peter Schutte in Apeldoorn. Toen heeft ze ook haar originele, knàlblauwe kleurtje weer terug gekregen. Die restauratie, waarvoor ik mijn folderverzameling grotendeels heb opgeofferd, heeft me er gelukkig niet van weerhouden ook daarna als vanouds met de A110 te rijden: als het even kan voluit. De meeste Alpines A110 (er zijn er een stuk of vijftig in Nederland) worden alleen maar gepoetst en vertroeteld. ‘Biche’ moet op haar oude dag nog steeds met beleid doen waarvoor ze is bedoeld, stevig doorrijden, vooral in uiteenlopende kaartleesritten, toerrally’s en dergelijke. Zodra ze met bouwjaar 1977 eindelijk wordt toegelaten tot officiële historische rally’s, zoals de SLS, wil ik haar ook daarvoor inzetten. Ik zie dat als een eerbetoon aan het merk Alpine, de historie en de prestaties van Andruet, Biche en al die anderen.

  O ja: ze gaat nooit meer weg. Ik heb wel andere auto’s ‘erbij’, maar ‘Biche’ hoort bij mij.

  Bart van den Acker

www.autonetcarbooks.com

terug / back